Уроки нидерландского. Аудио словарь. Человек. Голова.
#nederlands #nederlandsluisteren #нідерланди #нідерландськамова #нидерландскийязык #урокинидерландского het hoofd – голова - het hoofd Het hoofd doet pijn na het vallen. Голова болит после падения. Het hoofd doet pijn na het vallen. het gezicht – лицо - het gezicht Haar gezicht straalt van geluk. Её лицо светится от счастья. Haar gezicht straalt van geluk. de neus – нос - de neus De neus zit verstopt door verkoudheid. Нос заложен из-за простуды. De neus zit verstopt door verkoudheid. de mond – рот - de mond Hij houdt zijn mond tijdens de film. Он молчит во время фильма. Hij houdt zijn mond tijdens de film. het oog – глаз - het oog Mijn oog traant door de wind. Мой глаз слезится от ветра. Mijn oog traant door de wind. de ogen – глаза - de ogen Haar ogen zijn blauw. У неё голубые глаза. Haar ogen zijn blauw. de pupil – зрачок - de pupil De pupil reageert op licht. Зрачок реагирует на свет. De pupil reageert op licht. de wenkbrauw – бровь - de wenkbrauw Ze trok haar wenkbrauw op. Она подняла бровь. Ze trok haar wenkbrauw op. de wimper – ресница - de wimper Er zat een wimper op haar wang. На её щеке лежала ресница. Er zat een wimper op haar wang. het ooglid – веко - het ooglid Het ooglid sluit langzaam. Веко медленно закрывается. Het ooglid sluit langzaam. de tong – язык - de tong Hij stak zijn tong uit voor de grap. Он высунул язык в шутку. Hij stak zijn tong uit voor de grap. de tand – зуб - de tand Deze tand doet pijn. Этот зуб болит. Deze tand doet pijn. de lippen – губы - de lippen Haar lippen zijn droog door de kou. Её губы сухие от холода. Haar lippen zijn droog door de kou. de jukbeenderen – скулы - de jukbeenderen Zij heeft hoge jukbeenderen. У неё высокие скулы. Zij heeft hoge jukbeenderen. het tandvlees – дёсны - het tandvlees Gezond tandvlees is roze. Здоровые дёсны розовые. Gezond tandvlees is roze. het gehemelte – нёбо - het gehemelte De dokter bekeek haar gehemelte. Врач осмотрел её нёбо. De dokter bekeek haar gehemelte. de neusgaten – ноздри - de neusgaten De neusgaten verwijden zich bij het inademen. Ноздри расширяются при вдохе. De neusgaten verwijden zich bij het inademen. de kin – подбородок - de kin Hij legde zijn hand op zijn kin. Он положил руку на подбородок. Hij legde zijn hand op zijn kin. de kaak – челюсть - de kaak De kaak was gezwollen na het ongeluk. Челюсть опухла после аварии. De kaak was gezwollen na het ongeluk. de wang – щека - de wang Ze gaf hem een kus op de wang. Она поцеловала его в щёку. Ze gaf hem een kus op de wang. het voorhoofd – лоб - het voorhoofd Er zat zweet op zijn voorhoofd. У него на лбу был пот. Er zat zweet op zijn voorhoofd. de slaap – висок - de slaap Hij voelde een steek bij zijn slaap. Он почувствовал укол в виске. Hij voelde een steek bij zijn slaap. het oor – ухо - het oor Mijn oor doet pijn van de harde muziek. Моё ухо болит от громкой музыки. Mijn oor doet pijn van de harde muziek. het achterhoofd – затылок - het achterhoofd Hij raakte met zijn achterhoofd de muur. Он ударился затылком о стену. Hij raakte met zijn achterhoofd de muur. de hals – шея - de hals Ze droeg een sjaal om haar hals. Она носила шарф на шее. Ze droeg een sjaal om haar hals. de keel – горло - de keel Mijn keel doet pijn bij het slikken. У меня болит горло при глотании. Mijn keel doet pijn bij het slikken. de haren – волосы - de haren Haar haren glanzen in de zon. Её волосы блестят на солнце. Haar haren glanzen in de zon. het kapsel – причёска - het kapsel Hij heeft een nieuw kapsel. У него новая причёска. Hij heeft een nieuw kapsel. de haarsnit – стрижка - de haarsnit Die haarsnit staat je goed. Эта стрижка тебе идёт. Die haarsnit staat je goed. de pruik – парик - de pruik Ze draagt een pruik na haar behandeling. Она носит парик после лечения. Ze draagt een pruik na haar behandeling. de snor – усы - de snor Zijn snor is netjes getrimd. Его усы аккуратно подстрижены. Zijn snor is netjes getrimd. de baard – борода - de baard Hij heeft een lange baard laten groeien. Он отрастил длинную бороду. Hij heeft een lange baard laten groeien. het dragen – носить (усы, бороду) - het dragen Ze draagt haar haar in een vlecht. Она носит волосы в косе. Ze draagt haar haar in een vlecht. de vlecht – коса - de vlecht Het meisje had een mooie vlecht. У девочки была красивая коса. Het meisje had een mooie vlecht. de bakkebaarden – бакенбарды - de bakkebaarden Zijn bakkebaarden zijn dik en grijs. У него густые седые бакенбарды. Zijn bakkebaarden zijn dik en grijs. de ros – рыжий человек - de ros Die ros werkt als kok. Этот рыжий работает поваром. Die ros werkt als kok. grijs – седой - grijs Mijn opa heeft grijs haar. У моего дедушки седые волосы. Mijn opa heeft grijs haar. kaal – лысый - kaal Hij is kaal sinds zijn dertigste. Он лысый с тридцати лет. de kale plek – лысина - de kale plek Hij heeft een kleine kale plek op zijn hoofd. У него маленькая лысина на голове. de staart – хвост (причёска) - de staart Ze maakt elke ochtend een staart. Она каждое утро делает хвост.
#nederlands #nederlandsluisteren #нідерланди #нідерландськамова #нидерландскийязык #урокинидерландского het hoofd – голова - het hoofd Het hoofd doet pijn na het vallen. Голова болит после падения. Het hoofd doet pijn na het vallen. het gezicht – лицо - het gezicht Haar gezicht straalt van geluk. Её лицо светится от счастья. Haar gezicht straalt van geluk. de neus – нос - de neus De neus zit verstopt door verkoudheid. Нос заложен из-за простуды. De neus zit verstopt door verkoudheid. de mond – рот - de mond Hij houdt zijn mond tijdens de film. Он молчит во время фильма. Hij houdt zijn mond tijdens de film. het oog – глаз - het oog Mijn oog traant door de wind. Мой глаз слезится от ветра. Mijn oog traant door de wind. de ogen – глаза - de ogen Haar ogen zijn blauw. У неё голубые глаза. Haar ogen zijn blauw. de pupil – зрачок - de pupil De pupil reageert op licht. Зрачок реагирует на свет. De pupil reageert op licht. de wenkbrauw – бровь - de wenkbrauw Ze trok haar wenkbrauw op. Она подняла бровь. Ze trok haar wenkbrauw op. de wimper – ресница - de wimper Er zat een wimper op haar wang. На её щеке лежала ресница. Er zat een wimper op haar wang. het ooglid – веко - het ooglid Het ooglid sluit langzaam. Веко медленно закрывается. Het ooglid sluit langzaam. de tong – язык - de tong Hij stak zijn tong uit voor de grap. Он высунул язык в шутку. Hij stak zijn tong uit voor de grap. de tand – зуб - de tand Deze tand doet pijn. Этот зуб болит. Deze tand doet pijn. de lippen – губы - de lippen Haar lippen zijn droog door de kou. Её губы сухие от холода. Haar lippen zijn droog door de kou. de jukbeenderen – скулы - de jukbeenderen Zij heeft hoge jukbeenderen. У неё высокие скулы. Zij heeft hoge jukbeenderen. het tandvlees – дёсны - het tandvlees Gezond tandvlees is roze. Здоровые дёсны розовые. Gezond tandvlees is roze. het gehemelte – нёбо - het gehemelte De dokter bekeek haar gehemelte. Врач осмотрел её нёбо. De dokter bekeek haar gehemelte. de neusgaten – ноздри - de neusgaten De neusgaten verwijden zich bij het inademen. Ноздри расширяются при вдохе. De neusgaten verwijden zich bij het inademen. de kin – подбородок - de kin Hij legde zijn hand op zijn kin. Он положил руку на подбородок. Hij legde zijn hand op zijn kin. de kaak – челюсть - de kaak De kaak was gezwollen na het ongeluk. Челюсть опухла после аварии. De kaak was gezwollen na het ongeluk. de wang – щека - de wang Ze gaf hem een kus op de wang. Она поцеловала его в щёку. Ze gaf hem een kus op de wang. het voorhoofd – лоб - het voorhoofd Er zat zweet op zijn voorhoofd. У него на лбу был пот. Er zat zweet op zijn voorhoofd. de slaap – висок - de slaap Hij voelde een steek bij zijn slaap. Он почувствовал укол в виске. Hij voelde een steek bij zijn slaap. het oor – ухо - het oor Mijn oor doet pijn van de harde muziek. Моё ухо болит от громкой музыки. Mijn oor doet pijn van de harde muziek. het achterhoofd – затылок - het achterhoofd Hij raakte met zijn achterhoofd de muur. Он ударился затылком о стену. Hij raakte met zijn achterhoofd de muur. de hals – шея - de hals Ze droeg een sjaal om haar hals. Она носила шарф на шее. Ze droeg een sjaal om haar hals. de keel – горло - de keel Mijn keel doet pijn bij het slikken. У меня болит горло при глотании. Mijn keel doet pijn bij het slikken. de haren – волосы - de haren Haar haren glanzen in de zon. Её волосы блестят на солнце. Haar haren glanzen in de zon. het kapsel – причёска - het kapsel Hij heeft een nieuw kapsel. У него новая причёска. Hij heeft een nieuw kapsel. de haarsnit – стрижка - de haarsnit Die haarsnit staat je goed. Эта стрижка тебе идёт. Die haarsnit staat je goed. de pruik – парик - de pruik Ze draagt een pruik na haar behandeling. Она носит парик после лечения. Ze draagt een pruik na haar behandeling. de snor – усы - de snor Zijn snor is netjes getrimd. Его усы аккуратно подстрижены. Zijn snor is netjes getrimd. de baard – борода - de baard Hij heeft een lange baard laten groeien. Он отрастил длинную бороду. Hij heeft een lange baard laten groeien. het dragen – носить (усы, бороду) - het dragen Ze draagt haar haar in een vlecht. Она носит волосы в косе. Ze draagt haar haar in een vlecht. de vlecht – коса - de vlecht Het meisje had een mooie vlecht. У девочки была красивая коса. Het meisje had een mooie vlecht. de bakkebaarden – бакенбарды - de bakkebaarden Zijn bakkebaarden zijn dik en grijs. У него густые седые бакенбарды. Zijn bakkebaarden zijn dik en grijs. de ros – рыжий человек - de ros Die ros werkt als kok. Этот рыжий работает поваром. Die ros werkt als kok. grijs – седой - grijs Mijn opa heeft grijs haar. У моего дедушки седые волосы. Mijn opa heeft grijs haar. kaal – лысый - kaal Hij is kaal sinds zijn dertigste. Он лысый с тридцати лет. de kale plek – лысина - de kale plek Hij heeft een kleine kale plek op zijn hoofd. У него маленькая лысина на голове. de staart – хвост (причёска) - de staart Ze maakt elke ochtend een staart. Она каждое утро делает хвост.



